Gisteren was de pechvogel bij het televisieprogramma ‘de wereld draait door’. Pechvogel? Hij was toch winnaar van twee gouden medailles op de olympische spelen in München in 1972 ?
Ja, maar de PLO pleegde toen moordaanslagen. Daarmee kregen olympische triomfen een rouwrandje.
Kenners zeggen dat Willem Ruska beter was dan Anton Geesink. Nou ben ik geen judokenner, maar ik weet wel dat de persoonlijke PR van Geesink effectiever was dan die van Willem Ruska. Anton Geesink vergeten kost veel meer moeite. Willem Ruska heeft ook de pech van een afasie. Hij leek wel te begrijpen, maar het vermogen zich uit te drukken te missen.
Wat ik gisteren zag was een respectvol omzeilen van de afasie. De strekking was helder. Op vol vermogen wilde Willem Ruska een euthanasieverklaring. En nu niet meer. Een leven met vallen en opstaan, maar het leek alsof Willem wilde zeggen: ‘ik ben blij dat ik leef’. Wat heeft dit nou met stotteren te maken? Dat ene zinnetje, die ene vraag: ‘is er nog vooruitgang?’ Zijn vrouw beaamde: er is nog steeds vooruitgang!! Terwijl het herseninfarct toch al een jaar of 8 geleden was. Jaren geleden was ik jaloers op de afasiologen. Een degelijke Nederlandse studie over het herstelverloop van afasie zag het levenslicht. En was bepalend. En richting gevend.
In het stotteren bestond zo’n herstelverloop studie niet. En bij mijn weten nog niet. In het stotteren stuift men op een nieuwe hype af, vaak begint dat in de media. Weer een wonderapparaatje of een wondertherapie. En dan moet dat onderzocht worden. Met vaak nutteloze experimenten en vervelende vragenlijsten. En nooit eens langdurig volgen. Eén stukkie papier en een pen. En goede vragen. En goed luisteren.
Gisteren was ik in Utrecht aan de praat met een receptioniste, een vrouw van middelbare leeftijd. We kwamen op stotteren en zij begon over haar stotterende man. Eigenwijs zou hij zijn. En ze vertelde haar zorg: het stotteren neemt weer toe. Ik vertelde dat de statistieken aangeven, dat stotteren bij het ouder worden vaak afneemt. Waar hij zich kwaad over kon maken, was over de koppeling aan alcoholgebruik. Ik vertelde de receptioniste dat ik meteen merk dat alcohol mijn praten verslechtert. Haar man, die af en toe een thuispilsje drinkt, gaat daarna veel meer stotteren. Hij werd furieus als de omgeving bij veel gestotter suggereerde dat hij dan wel veel gedronken zou hebben. Ze was in ons gesprekje tot de conclusie gekomen, dat hij heel moe was. Chronisch moe. En dat het stotteren daarvan een merkbaar signaal was.
Wat ik met dit voorbeeld wil zeggen: de wetenschap ligt op straat. We kunnen zoveel leren over het fenomeen stotteren en over het herstelverloop, als we interesse tonen in de verhalen van mensen.
Gitte en ik fantaseerde laatst over een retrospectieve studie: wij hebben duizenden stotterende mensen gezien. Wij durven het wel aan om op basis van herinnering te voorspellen hoe het mensen is vergaan. In hun leven. En we hebben voorspellingen over het herstelverloop. En dan gaan studenten op zoek naar deze mensen. En controleren onze onderbuikgevoelens. En zo krijgen we zicht op de waarde van onderbuikgevoelens. En zodoende op wat er werkelijk toe doet.
De kampioen van ‘het leven’ zijn waarschijnlijk niet de grootpresteerders. Willem Ruska is goed zoals hij is. Troostrijk.
Adriaan
April 2008

